© Ber te Mebel, Zutphen. temebel@upcmail.nl

Niets van deze site mag verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie, microfilm, of op welke wijze dan ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van Ber te Mebel.

De nieuwste verhalen staan bovenaan

 

De ruiter

 

Mijn vader is de ruiter op het bronzen paard, midden op het plein. Fier zit hij in het zadel.

 

Dagelijks stond ik vanaf de stoeprand naar hem te kijken. Op woensdagmiddagen als we geen school hadden, nam ik soms een vriendje mee.

"Kijk, daar op het paard, dat is mijn vader."

Ze zeiden dat ik gek was, de kinderen in mijn klas. En ze riepen me na.

 

Mijn vader staat in een grasperkje dat rondom is afgezet met bloemen. Dat gras is voor het paard. Daarom mogen er ook geen auto's over het gras rijden. Zelfs voor voetgangers is het verboden. Daardoor kon ik niet bij mijn vader komen. Maar in de herfst en in de winter, als het vroeg donker was en niemand me kon zien, liep ik stiekem over het gras. Ik zat op het voetstuk van het paard en vertelde mijn vader wat er zoal gebeurde, thuis en op school.

Soms wist ik niets te vertellen. Dan zaten we zwijgend naast elkaar en keken naar de lichtjes van de auto's en de fietsen die voorbij kwamen. Als het regende, kroop ik onder de buik van het paard. Gezellig was dat.

 

Toen mijn moeder en ik verhuisden naar een andere stad, ging mijn vader niet mee. Hij moet op het plein blijven. Toezicht houden op het verkeer en zo. Anders wordt het een chaos. Ik heb gehuild, maar ik begreep, dat het niet anders kon.

 

Ik heb mijn vader een brief gestuurd met een tekening erbij, een portret van mijzelf. Dan kan hij nog eens naar me kijken. Hij zal me wel missen. Ik hem trouwens ook.

 

Take 1

 

Met lood op mijn schouders, gebogen hoofd, de voeten slepend door het zand. Boven mij het krijsen van een meeuw. Doodstil sta ik, wacht ik. Dan klinkt het krijsen verder weg, boven zee. Opgelucht haal ik adem. Wil verder gaan. Struikel over een steen. Ik ben te moe om op te staan. Draai me op mijn rug. Fel blauwe lucht, verblindende zon. De meeuw komt terug van boven de zee. Ook uit zee stijgen nu meeuwen op. Mijn ogen tranen door de lucht, de zon. Ik kan ze niet tellen, maar het zijn er zeker tien. Ze scheren over mij heen. Dan landen de brutaalsten dicht bij mij op het warme zand. Eén hipt tot vlak bij mijn gezicht. Zijn snavel dicht bij mijn oog. Ik sla hem weg met een hand. Hij vliegt op, maar daalt direct daarna brutaal op mijn borst. Ik kijk in zijn priemende ogen en voel een verlammende angst. Ik moet opstaan, mijn weg vervolgen. Ik heb nog nooit gehoord dat wandelaars hier door meeuwen zijn aangevallen. Ik moet in beweging komen. Een tweede meeuw landt op mijn voorhoofd. Zijn scherpe klauwen dringen in het dunne vlees net boven mijn linker oog. Twee paar ogen en twee snavels hebben hetzelfde effect als zou iemand een pistool tegen mijn slaap hebben gedrukt. Hoe lang lig ik hier? Eén uur, twee?

Mijn rug doet pijn, mijn armen en benen zijn stijf van het bewegingloos liggen. Ik hoor muziek die dichterbij komt. Uit mijn ooghoek zie ik twee benen en dan een jongen van een jaar of twaalf. Hij blijft naast mij staan en kijkt op mij neer. Hij draagt een raar hoedje dat hij afneemt en naast mij op de grond zet. Dan speelt hij verder op zijn fluit. Hij kijkt mij niet aan, heeft zijn blik gericht op het hoedje. Is hij een straat-muzikant die geld wil? Wat doet hij dan hier op het verlaten strand? Ik merk, dat de meeuwen niet meer krijsen, niet meer rusteloos hun poten verzetten of hun klauwen keer op keer in mijn huid klampen. Voorzichtig schuif ik mijn rechterarm een paar centimeter in de richting van mijn tas. De meeuwen lijken het niet te merken. In ieder geval reageren ze er niet op. Ik schuif de arm verder, open moeizaam de tas en zoek met mijn vingers door de inhoud. Daar heb ik mijn portemonnee. Ik trek de arm terug. Breng nu ook mijn linkerhand naar de portemonnee. Het lukt mij hem te openen. Eén euro? Twee? Wat als de jongen boos wegloopt? Ik neem vijftig euro uit het zijvak en leg die in de hoed. De jongen buigt zich voorover, pakt het geld en zet het hoedje weer op zijn hoofd. Dan legt hij de fluit op mijn borst en wandelt weg. Ik roep hem, maar hij hoort mij niet, of doet alsof. Ik kan niet fluitspelen. Ik kan geen enkel muziekinstrument bespelen. De tijd verstrijkt, de vloed komt op en de zon begint te zakken. Vanuit zee komt een koude lucht. Wat heb ik te verliezen? Ik pak de fluit en breng hem aan mijn lippen. Mijn vingers houd ik zo goed mogelijk op de gaatjes. Dan blaas ik. Een schriel geluid. Een van de vingers dekt het gaatje niet goed af. De meeuwen worden onrustig. Ik probeer het opnieuw. Dit keer gaat het beter. Ik til één vinger iets op en het geluid verandert van klank. Ik doe hetzelfde met een andere vinger. Ik sluit mijn ogen. In mijn hoofd vormt zich een melodie met de twee noten die ik speel als basis. Ik krijg een blij gevoel van binnen, kan niet meer stoppen. De melodie in mijn hoofd klinkt steeds mooier. Na verloop van tijd word ik moe. Zonder het te beseffen blaas ik minder hard en val in slaap. Als ik wakker word, is de fluit verdwenen en zijn ook de meeuwen nergens mee te zien.Op mijn borst, op de plek waar eerst de fluit lag, ligt een briefje van vijftig euro onder een steen om wegwaaien te voorkomen.

 

Een leven lang Lieke

 

Gerinkel van glazen.

Het feest is in volle gang. Mensen dansen, staan te praten of lopen naar de keuken waar de drank staat. Alleen hij is al die tijd niet van zijn stoel geweest, heeft niemand gesproken en ook niets gedronken. Hij intrigeert haar. Knap is hij niet, geen karakteristiek gezicht, wel vriendelijke, blauwe ogen, donker-blond haar. Zijn lengte is moeilijk te schatten omdat hij zit. Ze heeft de indruk dat hij ongeveer zo groot is als zijzelf, één meter vijfenzeventig. Zijn kleding is van beduidend mindere kwaliteit dan die van de andere gasten. Eigenlijk past hij hier niet. Hebben Peter en Anke hem uitgenodigd, of heeft een van de gasten hem meegebracht? Het is niet aannemelijk dat hij een relatie is van Peter. Dat zijn meer de jongens met de vlotte babbel en de dure pakken. Misschien een familielid?

Simone vraagt of ze iets wil drinken. Ze knikt. Samen lopen ze naar de keuken en nemen een glas wijn. Er zijn meer mensen in de keuken. Ze raakt in gesprek. Als ze na ongeveer een half uur weer in de kamer komt, zit hij nog steeds in dezelfde houding op zijn stoel. Hij spreekt met niemand en er is niemand die een gesprek met hem begint.

Er klinkt flamencomuziek. Waarom doet ze het, omdat hij haar intrigeert, irriteert? Ze weet het niet. Ze begint te dansen. Eerst houterig. Ze is zich nog teveel bewust van de mensen om haar heen. Maar meer en meer gaat ze op in de muziek die trots is en uitdagend. Ze stampt met haar hakken, draait haar heupen, steekt haar borsten naar voren, klapt in de handen en houdt haar hoofd trots achterover zoals ze het flamencodanseressen op de televisie heeft zien doen. Hoewel de passen en de gebaren verre van professioneel zijn, gaat er toch iets van haar uit, dat de aandacht trekt. Andere dansers gaan langs de zijkant staan om haar meer ruimte te geven.Gesprekken worden gestaakt. Iedereen kijkt naar de vrouw die geheel lijkt op te gaan in haar dans. Ze is zich inderdaad niet bewust van de mensen om haar heen. Ze hoort niet het handengeklap en olé geroep. Ze ziet slechts de man die nog steeds op zijn stoel zit. Harder stampen haar hakken, wilder bewegen haar heupen en golft het lange donkerbruine haar om haar hoofd. Ze komt dichtbij. Ze probeert in zijn ogen te kijken, maar hij ontwijkt haar blik. Ze draait om haar as, doet een stap naar voren en staat vlak voor hem. Ze grijpt zijn handen en probeert hem omhoog te trekken, hem mee te nemen in haar dans. Hij wil niet, rukt zijn handen los en blijft zitten. Ze ziet de angst in zijn ogen en stapt verschrikt achteruit. Mensen fluiten en roepen dans, dans!

De man springt op en rent de kamer uit. Bijna onmiddellijk daarna wordt de voordeur hard dichtgetrokken. Er klinkt gelach. Iemand zet een andere CD op. Gesprekken worden hervat, enkele paren dansen al weer. Ze staat voor de lege stoel, ziet nog steeds die angstige ogen. Ze loopt de kamer uit. Vanuit de keuken klinken stemmen, maar in de gang is niemand. Zachtjes opent ze de voordeur, glipt naar buiten en sluit de deur weer achter zich.

Ongeveer honderd meter naar rechts, aan de overkant van de straat, bij de ingang van het park, ziet ze hem zitten op een bankje. Ze aarzelt, dan steekt ze de straat over. Haar hart bonkt. Ze staat voor hem.

'Sorry.'

Hij kijkt haar aan en haalt, nauwelijks merkbaar, de schouders op.

'Het spijt me echt.'

'Dat hoeft niet.'

Ze gaat naast hem zitten, 'ik ben Lieke Verbeek.'

Hij zwijgt, buigt zijn hoofd en staart naar de grond.

Hij lijkt zo kwetsbaar. Ze wil hem in haar armen nemen en tegen zich aandrukken. Ze durft het niet.

Hoe lang zitten ze zo zwijgend naast elkaar? Twee minuten, drie minuten, of zijn het er tien? Dan klinkt zijn stem.

'Het is een fobie. Ik kan niet tegen mensenmassa's. Dan raak ik in paniek. Soms verstijf ik helemaal en lijk ik net een stand-beeld. Andere keren moet ik weg uit de massa. Desnoods loop ik alles en iedereen omver, maar ik moet en zal weg. Zolang de mensen niets bijzonders doen, gaat het wel. Op straat of in de trein kan ik het met medicijnen redelijk onder controle houden. Maar een voetbalwedstrijd bijvoorbeeld, kan ik niet aan. Ook op een feest zoals vanavond, als de muziek hard staat en de mensen gedronken hebben en luidruchtiger worden, moet ik heel erg mijn best doen om niet in paniek te raken.'

'Toen kwam ik en dat was teveel.' Ze strijkt zacht met haar vingers langs zijn wang.

Hij knikt. 'Ik had niet moeten komen. Maar Peter van Dongen is een goede klant van mij. Hij wilde me aan een paar kennissen voorstellen. Ik kon moeilijk weigeren.'

'Peter een klant van jou?' Ze kan het zich niet voorstellen.

'Heb je de schilderijen gezien die in de achterkamer hangen? Die heb ik gemaakt. En op zijn kantoor hangen er ook nog een paar van mij.'

'Je bent schilder.'

Hij knikt, 'Joost Boman.'

'Ik heb niet zo gelet op wat er aan de muur hangt. Wat voor werk maak je?'

Voor het eerst draait hij zijn gezicht naar haar toe. Hij kijkt haar aan, als taxeert hij het risico dat hij neemt. Dan staat hij op en strekt zijn hand naar haar uit.

'Kom.'

Ze volgt hem straat in straat uit. Net als ze wil vragen of het nog ver is, blijft hij staan. Ze zijn in een straat met statige herenhuizen.Het huis waarvoor ze staan heeft drie verdie-pingen plus een zolder ziet ze.

Hij gaat haar voor, opent de deur en achter hem aan beklimt ze de trappen. Pas op de zolder blijft hij staan. Hij opent de deur en doet het licht aan. Ze zijn in een hall waarop drie deuren uitkomen. Twee daarvan zijn van het toilet en de badkamer zal ze later ontdekken. Hij opent de derde deur. Ze stapt over de drempel. De hele zolder is één immense ruimte waarin keuken, woonkamer, slaapkamer en atelier zijn ondergebracht, hier en daar afgeschermd door los geplaatste scheidingswandjes en kamerschermen. Overal staan en hangen schilderijen. Ze bekijkt ze zonder iets te zeggen. Ook hij zegt niets, maar let voortdurend op haar gezicht. Ze heeft geen verstand van schilderkunst. Ze laat zich leiden door haar gevoel en wat ze ziet, raakt haar diep.

Als ze de schilderijen heeft bekeken, leidt hij haar naar een bank en neemt zelf plaats in een stoel tegenover haar.

 

Langzaam komt het gesprek op gang. Hij vertelt en zij luistert. Hij vertelt en vertelt, alsof hij voor het eerst in zijn leven alles uit wat in zijn hoofd zat opgesloten.

Veel later liggen ze, gekleed, naast elkaar op het bed waarin hij nog nooit met een vrouw heeft gelegen. Slechts één lampje verlicht de hele ruimte. Overal zijn schaduwen.

Ze ligt op haar rug en staart naar het plafond.

'Die vrouwenfiguren, zijn dat vriendinnen?'

'Af en toe huur ik een model via de academie.'

'Zal ik voor je poseren?'

'Het kan soms erg lang duren, poseren.'

Ze glimlacht, 'ik heb de tijd.'

 

Voorzichtig tilt hij haar uit bed. Ze slaat een arm om zijn nek als wil ze nog één keer proberen hem te verleiden de flamenco met haar te dansen. Met de andere hand streelt ze zijn kaal geworden hoofd. Ze weegt bijna niets meer. Nog hooguit drie maanden heeft de arts gezegd.Hij zet haar in de rolstoel en duwt haar door de lange gang die vol schilderijen hangt, stadsgezichten, landschappen, interieurs van huizen, die hij in de loop der jaren heeft geschilderd. Er is geen schilderij waarop zij niet voorkomt. Soms nadruk-kelijk aanwezig, soms slechts vaag zichtbaar in een land-schap of achter een raam van een gebouw. In het atelier zet hij de rolstoel zo, dat ze goed in het licht zit. Een zwak zonnetje valt op haar door de pijn getekend gezicht, de grauwe kringen rond de ogen, de ingevallen wangen, het gerimpelde vel van haar hals. Hij ziet het meisje dat voor hem danste, dertig jaren geleden op een feest, de levens-lustige ogen, het donkerbruine haar dat golfde om haar hoofd. Hij weet, dat dit het laatste schilderij is. Als zij er niet meer is, zal hij nooit meer een schilderij maken.

 

Het is tien uur. Bij het Stedelijk Museum gaan de deuren open. Een portier komt naar buiten met een sandwichbord. Hij zet het neer en loopt weer naar binnen.

Een echtpaar, dat hem het bord heeft zien neerzetten, komt dichterbij.

'Een leven lang Lieke. Overzichtstentoonstelling van het werk van Joost Boman. Drie oktober tot en met twee november,' leest de man voor. Zijn vrouw haakt haar arm door de zijne en ze lopen verder.

 

Vogelvlucht

Het is nog geen twee jaren geleden dat professor Verhoog in een vooraanstaand Amerikaans medisch tijdschrift de door hem ontwikkelde nieuwe methodiek voor het behandelen van mensen met een fobie publiceerde. Aanvankelijk stuitte hij op veel weerstand van collega-psychiaters.De resultaten die Verhoog met zijn behandelmethodiek behaalt, zijn echter van dien aard, dat niemand de doeltreffendheid daarvan nog kan ontkennen. De behandeling vindt plaats in een kliniek waar de patiënten gedurende zes à acht weken intern zijn. Na die periode is vijfennegentig procent van de patiënten van zijn of haar fobie genezen. Binnen de kortste keren komen uit alle landen van Europa en zelfs uit Amerika mensen naar Nederland om zich door Verhoog te laten helpen. Behalve een begenadigd wetenschapper blijkt Verhoog ook een goed zakenman te zijn. Momenteel heeft hij al drie klinieken in Nederland, een in Duitsland en er bestaan plannen om ook in Engeland een kliniek te openen. Deze klinieken doen wat comfort betreft niet onder voor een viersterrenhotel. De tarieven die Verhoog rekent, zijn daarmee in overeenstemming. de behandelingen worden door geen enkele zorgverzekeraar vergoed. Zijn patiënten behoren dan ook allen tot de beter gesitueerden.

Zijn wetenschappelijke kennis, gekoppeld aan zijn zakelijk inzicht, hebben Verhoog tot een vermogend man gemaakt die zich graag laat zien op party's, filmpremières. modeshows en talkshows op de televisie. In kranten en tijdschriften is echter nog nooit een interview met hem verschenen. Mijn hoofdredacteur gaf mij daarom opdracht Verhoog te benaderen voor een interview.

Drie weken lang bestookte ik de secretaresse van Professor Verhoog met telefoontjes. Echter zonder resultaat. Ik begon die moed al op te geven, maar vanochtend werd ik verrast door een telefoontje dat de professor mij vanmiddag om twee uur kan ontvangen omdat er een afspraak vervallen is. Daar Verhoog aansluitend aan het interview nog enkele zaken thuis te regelen heeft, verzoekt zijn secretaresse mij, in plaats van naar een van de klinieken, naar het woonhuis van Verhoog te komen, een landgoed in de buurt van Blaricum. Klokslag twee uur druk ik op de bel van het immense landhuis.

 

De deur wordt geopend door een vrouw gekleed in een zwarte jurk en met een wit schortje voor.

'Een ogenblikje,' zegt ze, nadat ik haar de rede van mijn bezoek heb medegedeeld. Ze loopt de lange gang in en verdwijnt achter één van de vele deuren.

Evenlater verschijnt een vrouw van een jaar of twintig. Als dit mevrouw Verhoog is, valt hij wel op erg jong.

Ze steekt haar hand naar me uit en glimlacht.

'Sabine Verhoog. U hebt om twee uur een afspraak met mijn vader. Hij heeft zojuist gebeld, dat hij is verlaat. Binnen een half uurtje is hij hier. Ik hoop, dat u zolang kunt wachten.'

Ik knik, wat kan ik anders doen. Ze gaat me voor door de gang en opent een deur. We komen in een ruime kamer met uitzicht op een park. Het grootste deel van de kamer wordt ingenomen door een zithoek, bestaande uit een salontafel, een leren bank en drie bijpassende fauteuils. Rechts in de hoek staat een groot antiek bureau. Langs alle muren staan goed gevulde boekenkasten. Ze wijst naar een stoel en neemt zelf plaats op de bank. We wisselen wat algemeenheden. Ik zie haar zo onopvallend mogelijk op haar horloge kijken.

'Als u iets anders te doen hebt, laat u dan door mij niet weerhouden,' zeg ik.

Ze kijkt opgelucht. 'Zal ik een krant voor u halen? Of vindt u het leuk een wandelingetje door het park te maken? De grote hobby van mijn vader.'

Belangstelling tonen voor de hobby van Verhoog kan nooit kwaad. Door de schuifpui kom ik in het park. Ik had niet verwacht, dat het zo groot is, heesters, gazons, vijvers die door een beekje met elkaar in verbinding staan. Na een paar minuten lopen is het huis niet meer te zien. Ik heb geen idee in welke richting het ligt. Ik heb me nooit goed kunnen oriënteren. Opeens hoor ik geluid. Ik kijk om en krijg bijna een hartstilstand. Achter mij staat een struisvogel.

Voor alles wat vogel is, ben ik bang. Als kind liep mijn weg naar school langs een kippenfokkerij. Zodra ik het hek naderde dat langs de fokkerij liep, kwam een grote haan met veel lawaai en gefladder op me af. Doodsbang was ik voor dar beest. Ik heb er vaak nachtmerries over gehad en er een panische angst voor vogels aan overgehouden.

Misschien zou er niets zijn  gebeurd, als ik rustig was doorgelopen, maar ik kan niet redelijk meer denken. Ik hol in een willekeurige richting. De struisvogel komt achter mij aan. Ik verlaat het pad en ren een gazon op, dat wordt begrensd door het beekje en een vijver.

Verstijfd van schrik blij ik staan. Over het gazon komen in brede formatie wel tien ganzen mij luid snaterend tegemoet. Voor mij de ganzen die agressief dichterbij komen en achter mij nog steeds de struisvogel. Er is nog één vluchtweg. De vijver! Ik ren erheen, achtervolgd door mijn gevederde belagers.

De vijver is diep. Na drie passen kan ik niet meer staan. Zwemmen, zo snel mogelijk! Kunnen struisvogels zwemmen? Ganzen in ieder geval wel!

De oever aan de overkant is begroeid met riet. Daaruit komt statig een zwanenfamilie gezwommen. Het mannetje vindt mijn wild geploeter kennelijk bedreigend. Met wijde vleugelslag komt hij op me af. Het lijkt wel, of hij over het water loopt. Ik heb geen schijn van kans te ontkomen. Hij raakt mijn onderarm, die ik afwerend omhoog houd. Een felle pijn! Onmogelijk de arm nog te gebruiken. Gebroken, gaat het door me heen. Vervolgens bewerkt de zwaan met zijn snavel mijn hoofd, mijn gezicht, raakt een oog. Ik gil van angst en pijn, kan mij niet meer drijvende houden. Mijn hoofd komt onder water. de zwaan geeft me geen glegenheid weer boven te komen. de laatste lucht ontsnapt mijn longen. Ik zie niets meer, voel de pijn niet meer ...

'Meneer Blokhuis,' de stem van Sabine Verhoog komt van ver. 'Mijn vader is er al.'

In de deuropening staat Verhoog. Met uigestoken hand komt hij op me af. 'Het spijt mij dat ik u moest laten wachten, maar nu heb ik voldoende tijd voor het interview.'

Ik schud de uitgestoken hand en hoop, dat hij de trilling in mijn stem niet hoort. 'Als u het goedvindt, wil ik graag ook nog iets anders met u bespreken.'